Dwepers en dromers, Jan J.B. Kuipers

Recensent: Wouter van Dijk

Dwepers en dromers. Tegenculturen in Nederland 1890-1940, Jan J.B. Kuipers

Walburg Pers, Zutphen 2022
ISBN 9789462497948

Gebonden, geïllustreerd in kleur, met beknopte literatuuropgave en personenregister
238 pagina’s
€ 25,99

Caleidoscoop van Nederlandse tegenculturen

Het begrip ‘tegencultuur’ is lastig te definiëren. Want wanneer maakt een beweging of levensstijl de overstap van de marge naar het centrum van de maatschappij? Kuipers hanteert als uitgangspunt dat organisaties of individuen zich afzetten tegen de gevestigde maatschappij en algemeen geaccepteerde waarden. Dit afzetten kan zich op vele manieren uiten; door een afwijkende levensstijl zoals vegetarisme of naturisme, het opkomen voor marginale groepen (feminisme, socialisme) of door de wijze waarop de afwijkende waarden worden beleden, zoals via gewelddadige actie (anarchisme, fascisme). Waar we de ‘counterculture’ vooral kennen van de jongerenbeweging in de jaren 1965-1975 laat Kuipers zien dat we in Nederland, en daarbuiten, al vanaf eind 19e eeuw een rijke traditie van genootschappen, sektes, bewegingen en groeperingen kennen die de maatschappij anders wilden inrichten dan het gros van de mensen om hen heen. Daaraan is dit boek gewijd. Je zou kunnen beargumenteren dat een dusdanig omschreven definiëring ook ruimte laat nog vroegere afwijkende levensbeschouwelijke bewegingen mee te nemen, maar doordat Kuipers zich mede richt op de verhouding tot de massacultuur die de industrialisering met zich meebracht beperkt hij zijn studie tot de periode van 1890 tot het begin van de Tweede Wereldoorlog.

De auteur verdeelt zijn boek in drie delen die elkaar chronologisch opvolgen, voorafgegaan door een inleidend hoofdstuk over de periode 1840-1890. In het eerste deel 1890-1918 beschrijft hij de opkomst van het socialisme, dat zeker in de tijd van de Sociaal-Democratische Bond nog een echte beweging in de marge was. Belangrijke figuur was daarin de voormalige dominee Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die later anarchist zou worden en daarnaast ook vegetariër was. Dat is een fenomeen waar Kuipers vaker op wijst; veel van de tegenculturen overlappen elkaar, zoals in dit geval links revolutionair gedachtegoed en vegetarisme als levensstijl. Op meer cultureel dan politiek vlak is in dit tijdvak veel aandacht voor de populariteit van spiritisme, theosofie en symbolenleer, de significa. Bekende culturele figuren als Jan Toorop en Frederik van Eeden werden hierdoor gegrepen.

In het deel over de periode 1919-1929 staan de jaren tussen de Eerste Wereldoorlog en de wereldwijde crisis van de jaren dertig centraal. Op politiek terrein volgen we de versnippering van linkse partijen, waar verschillende anarchistische en communistische partijtjes elkaar bekritiseren, naast de onbetwist de grootste partij van de linkse beweging SDAP. Ter rechterzijde gaat Kuipers in op het ontstaan van de vele fascistische groeperingen, waarvan Erich Wichman(n) de bekendste figuur is geworden.

Op cultureel vlak wordt de nog jonge natuurbeweging behandeld, met in het verlengde daarvan de excentrieke eerste naturisten, die in een nogal vijandig maatschappelijk milieu hun naaktheid probeerden te ‘belijden’. De strenge zedelijke houding van de Nederlandse staat, destijds gedomineerd door christelijke partijen, kwam ook tot uiting in de actieve vervolging van homoseksuelen, waarvan de auteur een aantal prominente voorbeelden geeft.

Het slot van het boek handelt over het laatste decennium voor de oorlog, waarin opnieuw aandacht voor de linkse beweging, in het bijzonder de jeugdbeweging van de SDAP, de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), en de veel kleinere fascistische jeugdbeweging van de NSB, de Nationale Jeugdstorm. Het valt op dat Kuipers weinig aandacht heeft voor de kleine christelijke beweging op politiek gebied. Zo zou een hoofdstuk over de ‘soevereiniteit in eigen kring’ van Abraham Kuyper en zijn gereformeerde ‘kleine luyden’ niet hebben misstaan in een boek als dit. De gereformeerde voorman had Nederland het liefst in een calvinistische theocratie veranderd, en dat was toch ook niet bepaald mainstream. Tegelijkertijd was de SDAP in de jaren dertig al diep in de maatschappij verankerd, kon steevast op een vijfde van de stemmen rekenen bij verkiezingen en had reeds in 1913 deelname aan de landsregering aangeboden gekregen maar hiervoor bedankt. Is hier dan nog sprake van een tegencultuur? Kuipers stelt dat die levensbeschouwing vooral gedragen bleef worden door de jeugdbeweging, de AJC. Ook komen in dit boek verschillende onderwijsvernieuwers aan bod, waarvan de visies van Maria Montessori en Kees Boeke het meest uitvoerig aan bod komen.

De auteur sluit af met een hoofdstuk over de doorwerking van de vele marginale ideeën uit de vooroorlogse jaren tot aan 1970, toen sommige van deze ideeën weer een tweede leven kregen, zoals de blik op het oosten en de rol van goeroe’s uit India. De oosterse mystiek had ook in de theosofie begin twintigste eeuw al een rol gespeeld. In het boek komen vele feiten en anekdotes aan bod, en Kuipers’ synthese zorgt ervoor dat de lezer een caleidoscopisch beeld krijgt voorgeschoteld van het fijnmazig raster aan excentrieke en afwijkende bewegingen in de behandelde periode. Helaas ontbreekt een notenapparaat zodat het de geïnteresseerde lezer niet gemakkelijk wordt gemaakt wat na te zoeken of te controleren.

Wouter van Dijk