Jan Weissenbruch

639omslag-weissenbruch

Jan Weissenbruch, Terry van Druten e.a.

Uitgeverij THOTH i.s.m. Teylers Museum, Bussum 2016
ISBN 978 90 6868 711 8

Gebonden, met illustraties in kleur en zwart-wit, notenapparaat, lijst van werken en register
176 pagina’s
€ 29,90

Jan Weissenbruch

Jan Weissenbruch is een naam die door de jaren heen in groot aanzien is blijven staan. Toch denken de meeste mensen niet aan Jan Weissenbruch (1822-1880) bij het horen van de naam Weissenbruch, maar aan zijn neef Jan Hendrik Weissenbruch (1824-1903), de landschapsschilder uit de Haagse School. Het Teylers Museum vond het na grote tentoonstellingen in Dordrecht en Nijmegen tijd om ook in Haarlem aandacht aan  Jan Weissenbruch te schenken, de schilder die met zijn kraakheldere verbeelding van Hollandse stadspleinen, sluizen, ophaalbruggen en landwegen uniek is in de Nederlandse negentiende-eeuwse schilderkunst. Weissenbruchs schilderijen lijken iets te hebben vastgelegd van een Nederland dat sindsdien is verdwenen.

“Een leeg land, net voorafgaand aan de industrialisatie en verstedelijking die hier pas tegen het einde van de negentiende eeuw zou inzetten. Tegelijk hebben zijn verstilde stadsgezichten echter een opvallend moderne uitstraling.” (p. 11)

Weissenbruch stond middenin de tijd dat het Realisme hoogtij vierde en hij stoffeerde zijn werken dan ook nooit met historisch geklede figuren zoals sommige van zijn tijdgenoten deden. Zo heerst in het werk van tijdgenoten als Cornelis Springer of Kaspar Karsen een sterk romantisch geladen atmosfeer. Springer schilderde bijvoorbeeld veel historisch geklede figuren in zijn stadsgezichten die voor een suggestie van levendige stedelijke beweging zorgden. Bij Weissenbruch valt meestal pas in tweede instantie op dat zich op detailniveau wel figuren en objecten zijn afgebeeld, maar deze verkeren in rust en stilstand. Zijn werk vertoont echter ook overeenkomsten met een schilder als Springer. Zo koos Weissenbruch heel bewust wat hij wel of niet in beeld bracht. Zo is op werken van dezelfde omgeving te zien hoe hij ramen en muren toevoegde en weghaalde of een waterpomp verplaatste. Weissenbruch ging over het algemeen echter minder ver dan Springer die gebouwen bij elkaar componeerde die zich in werkelijkheid niet in de door hem afgebeelde hoedanigheid bevonden. Een uitzondering vormen de vroege werken van Weissenbruch die nog onder invloed stonden van zijn romantische leermeesters Salomon Verveer en Antonie Waldorp. De afgebeelde locaties op deze werken zijn niet te herleiden en mogelijk grotendeels verzonnen.

De publicatie bij de tentoonstelling Jan Weissenbruch is niet zozeer een catalogus, maar een naslagwerk dat bij een breed publiek kan zorgen voor een hernieuwde kennismaking met werk en leven van Jan Weissenbruch. Anders dan zijn werken doen vermoeden leed Weissenbruch aan pleinvrees. Dit hield in dat hij geregeld langere perioden niet of nauwelijks naar buiten durfde. Toch maakte hij prachtige realistische landschapsschilderijen. Wanneer hij door het land reisde, tekende hij schetsboeken vol en maakte vele olieverfstudies. Eenmaal thuis kon hij jaren met het verzamelde materiaal doen om het uit te werken in tal van schilderijen.

In het boek wordt duidelijk dat Weissenbruch ook experimenteerde met nieuwe technieken zoals de fotografie. Opvallend hierbij is dat Weissenbruch fotografische technieken toepaste binnen zijn atelierpraktijk, maar dat hij het medium fotografie nadrukkelijk niet als de ideale manier zag om kunst mee te reproduceren. Reproducties moesten volgens Weissenbruch in eerste instantie door prentmakers vervaardigd worden.

Weissenbruch legde het verdwijnende oude Nederland vast, dat werd eerder al aangestipt. Zo valt in zijn oeuvre de aanwezigheid van gezichten op stadspoorten en stadswallen van kleine steden op. Als overgang van stad naar land, als grenzen van de stad raakte Weissenbruch gefascineerd door het fenomeen. In zijn tijd waren stadspoorten bovendien een actueel onderwerp: ze raakten in verval of werden gesloopt en vormden tegelijkertijd een van de vroege casussen voor een zich ontwikkelende monumentenzorg.

“Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat Weissenbruch zich in zijn keuze voor dit onderwerp liet leiden door het besef van een verdwijnend cultuurgoed.” (p. 111)

Al met al geeft de publicatie bij de tentoonstelling over Weissenbruch een mooi overzicht van zowel het leven als het werk van de kunstenaar. De vele prachtige afbeeldingen zorgen ervoor dat het boek een lust voor het oog is en regelmatig uit de kast zal worden gepakt om van de prachtige kunst van Weissenbruch te genieten. Op die manier is het de ideale manier om thuis na te genieten van de tentoonstelling. De publicatie zal een welkome aanvulling zijn in de verzameling van menig kunsthistoricus.

Vera Weterings

De tentoonstelling Jan Weissenbruch is tot en met 8 januari 2017 in het Teylers Museum in Haarlem te bezoeken.